Categorie: Sonnet

Vuurwerk

Al weken loop ik ’s avonds uren buiten.
Dat gaat beslist niet ongemerkt voorbij:
van vuurwerk word ik als een kind zo blij,
dan ben ik in het donker niet te stuiten.

Ik schuim de straten af met mijn kornuiten.
Met explosieven maken wij stampij.
Een prullenbak is daarvoor geen partij,
laat staan zo’n abri met z’n grote ruiten.

De buren vinden mij een halve gare;
ze zien het liefste dat ik hiermee stop
en komen met onnozele bezwaren.

Maar zeurt er weer eens eentje aan mijn kop
vanwege alle herrie en gevaren,
dan steek ik vlug mijn middelstompje op.

Het meisje van mijn dromen

Jij was het mooiste meisje van mijn dromen
Bij jou dacht ik meteen: dit zit wel goed.
Zij is degene die ik hebben moet,
dus heb ik ijlings stappen ondernomen.

We vreeën in een hooiberg zonder schromen
en zoenden met elkaar in overvloed,
zoals een jeugdig stelletje dat doet.
Toch is daar pas een einde aan gekomen.

Want was jij wel onschuldig en verlegen?
Of deed je maar alsof de hele tijd?
Online kwam ik wat van je exen tegen
en kreeg ik ongelofelijke spijt.
De lentekriebels die ik had gekregen
die raakte ik pas bij de huisarts kwijt.